Spring direct naar de inhoud

ABVAKABO FNV

ABVAKABO FNV
Doorzoek abvakabofnv.nl

Afdeling Utrecht-West

Locale vakbondsgeschiedenis


Optocht PostAfbeelding: optocht ter gelegenheid van het 10-jarig bestaan van de Afdeling Utrecht van de Nederlandse Bond van Post- en Telegraafbeambten "De Post" ter hoogte van het Stadhuis (Stadhuisbrug 1) te Utrecht (1909) (met dank aan het Utrechts Archief).


HOE EN WAAROM ZIJN VAKBONDEN ONTSTAAN?

De vakverenigingen vormden traditioneel een bonte verzameling van organisaties, waarvan elk zich bij de recrutering van haar leden richtte op een specifieke groep met een bepaalde eigen levensbeschouwing of religie. De grootste vakbonden waren gegrondvest op protestantse, katholieke en socialistische basis, en daarnaast waren er neutrale (d.w.z. liberale en anti-socialistische) en syndicalistische (d.w.z. socialistische maar anti-parlementaire) vakbonden. De eerste vakverenigingen ontstonden aan het einde van de negentiende eeuw in steden met veel industriële bedrijvigheid. Het bleek dat deze locale verenigingen een zwakke onderhandelingspositie hadden ten opzichte van de fabrikanten, omdat het enige machtsmiddel, de staking, weinig effektief bleek te zijn. De arbeiders kwamen bij stakingen al snel in geldnood, en de fabrikanten konden eenvoudig stakers ontslaan en nieuwe arbeiders van elders halen. Daarom sloten de locale vakverenigingen zich aan het begin van de twintigste eeuw aaneen in landelijke vakcentrales, waardoor meer macht kon worden uitgeoefend, niet enkel binnen afzonderlijke bedrijven, maar ook binnen hele bedrijfstakken. Bovendien verbonden de vakcentrales zich weer in landelijke federaties, waarin alle arbeiders (vakken) waren vertegenwoordigd, zodat de verschillende vak(beroeps)groepen elkaar tijdens stakingen konden ondersteunen. Nadat de fabrikanten zich hiertegen aanvankelijk verzetten, werd de georganiseerde vakbeweging spoedig door hen geaccepteerd als een onderhandelingspartner, waarmee algemene afspraken over de arbeidsvoorwaarden in de bedrijfstakken konden worden gemaakt (de zogenaamde Collectieve Arbeids Overeenkomsten). De ontstaanswijze van de federaties had tot gevolg, dat de arbeiders organisatorisch op twee manieren verbonden waren. Elke vakgroep was landelijk verenigd, maar tevens sloten de locale vakgroepsafdelingen zich aaneen tot stedelijke bestuurdersbonden. Ter toelichting geven wij een korte beschrijving van enkele onderdelen van de socialistische federatie N.V.V., namelijk de U.B.B., de N.V. en de metaal- en industriebonden.



DE UTRECHTSE BESTUURDERSBOND

De Utrechtse Bestuurdersbond (U.B.B.) van socialistische vakverenigingen ontstond in 1896, en was aanvankelijk een decentraal orgaan, waarvan alle Utrechtse socialistische organisaties lid konden worden. Ook in de andere grote steden werden bestuurdersbonden opgericht, en sommigen gaven zelfs een eigen krant uit. Het stakingsfonds van de lokale vakverenigingen werd gewoonlijk door de desbetreffende B.B. beheerd. De U.B.B. sloot zich aan bij het N.V.V., direct na diens oprichting in 1906. De behoefte tot centralisatie werd algemeen gevoeld, en daarom werden in 1909 alle Bestuurdersbonden op N.V.V.-grondslag gereorganiseerd. In 1914 werd de lokale band tussen de vakbonden en de politiek verbroken, waarmee de politiek althans formeel verdween uit de U.B.B. Behalve de wens naar centralisatie speelde mee, dat de bonden de mogelijkheid van fusies met vakverenigingen van andere levensbeschouwingen, met name de neutrale, wilden openhouden. Een probleem was dat het U.B.B. door deze scheiding van de S.D.A.P. leidinggevend kader verloor. Anderzijds waren sommige leidinggevenden van de U.B.B. op persoonlijke titel actief in de S.D.A.P., en ook vertegenwoordigden zij de U.B.B. in allerlei socialistische commissies, die actief waren op gebieden zoals werklozenzorg, volwassenenonderwijs (het IvAO, maar ook de Volksuniversiteit), jongerenwerk (A.J.C.), en de t.b.c. bestrijding (Vereniging Zonnestraal). Met de komst van de sociale wetgeving werd het nodig de arbeiders meer te informeren over hun nieuwverworven formele rechten. Het U.B.B. richtte voor dit doel een Bureau voor Arbeidsrecht op, die werd bemand door vrijwilligers. Ook de Wet op het Arbeidscontract en de belastingwetten waren moeilijk vatbaar voor de arbeiders, en moesten worden uitgelegd. In 1925 waren er landelijk al 151 Bestuurdersbonden actief. Vanaf 1929 was de U.B.B. gevestigd in het N.V. Huis (Oudegracht 245), dat tevens het hoofdkantoor was van de Nederlandsche Vereeniging van Spoor- en Tramwegpersoneel. Tevreden constateerde men in het Jaarverslag van 1929: "Het feit, dat kameraden van veertig jaar en ouder nog plaats nemen in de schoolbanken om hun kennis te vermeerderen, kan dienen als bewijs dat de zucht tot meerdere ontwikkeling leeft in de harten van velen onzer klasgenoten". In 1930 richtte de U.B.B. toch samen met de S.D.A.P. Federatie Utrecht een overkoepelende Plaatselijke Raad op, waarin zijdelings ook de coöperatie Voorwaarts was vertegenwoordigd. Bovendien werd er een Gewestelijke Raad gevormd, die de Federatie van Bestuursbonden in de provincie en het S.D.A.P. Gewest overkoepelde, alsmede een landelijke Algemene Raad van het N.V.V. en de S.D.A.P. Na de Tweede Wereldoorlog verdwenen deze Plaatselijke Raden weer. De Bestuurdersbonden werden omgezet in locale afdelingen van het N.V.V. In 2001 tenslotte werden deze afdelingen, intussen deel van het F.N.V., opgeheven. Sinds 2006 worden er weer groepen F.N.V. Lokaal opgericht, ook in Utrecht en omstreken. Dit zijn lobby- en pressiegroepen van deskundigen, die kortlopende projecten oppakken, en niet meer zoals vroeger een duurzame afdelingsstructuur op democratische basis hebben. Hun werkveld ligt vooral in het adviseren bij de gemeentelijke invulling van de Wet Maatschappelijke Ondersteuning (W.M.O.) en de Wet Werk en Bijstand (W.W.B.).



NEDERLANDSCHE VEREENIGING VAN SPOOR- EN TRAMWEGPERSONEEL

Als een voorbeeld van een vakvereniging beschrijven wij de Nederlandsche Vereeniging van Spoor- en Tramwegpersoneel (kortweg N.V.), opgericht in 1898, en al spoedig een onderdeel van het N.V.V. Het spoorwegpersoneel bekleedde een bijzondere positie, omdat zij ambtenaren zijn, en het hen daarom aanvankelijk niet toegestaan was om lid te worden van een vakvereniging; de ledenlijsten bleven daarom geheim. Pas vanaf 1903 ging de spoorwegdirectie over tot de erkenning van de vakorganisaties, naast de N.V. onder andere ook St. Raphael (katholiek) en de P.C.B. (protestants). In dit jaar vond ook de grote, maar mislukte staking van spoorwegpersoneel plaats, waarna het kabinet-Kuyper aan hen voortaan wettelijk het staken verbood. Een bekende aanvoerder van de N.V. was J. Oudegeest, en hij zou later ook voorzitter van het N.V.V. worden. In 1926 vestigde het hoofdbestuur van de N.V. zich in een groot kantoor aan de Oudegracht 245 te Utrecht, dat sindsdien het N.V. Huis werd genoemd. De hoop, dat dit gebouw een nationaal centrum zou worden voor de arbeidersbeweging, ging echter niet in vervulling. Het N.V.V. en de N.V. bleven eerst nog bestaan gedurende de Tweede Wereldoorlog, maar zij vonden hun einde, toen de Duitse bezetter in mei 1942 het Nederlandse Arbeids Front oprichtte. Beroemd is de spoorwegstaking van 1944, waarmee de N.V. en de directie van de spoorwegen probeerden om de bezetter te dwarsbomen. Na de oorlog werden de N.V. (en het N.V.V.) heropgericht, waarna een periode van interne fusies binnen het N.V.V. optrad. Deze had ten doel om de vakverenigingen om te zetten in bedrijfstakgewijze organisaties, zodat de onderhandelingen over de arbeidsvoorwaarden effectiever en krachtiger zouden kunnen worden gevoerd. Eerst kwam in 1951 een vervoersfederatie tot stand onder de naam "Verbond van Werknemersverenigingen in het Nederlands Vervoerwezen", waarin naast de N.V. ook de transportarbeiders, en koopvaardij- en vliegend personeel waren opgenomen. Een ander deel van de werknemers in het transportbedrijf ging over naar Mercurius. Begin 1956 werd de vervoersfederatie door de definitieve fusie omgezet in de Nederlandse Bond van Vervoerspersoneel.



METAAL- EN INDUSTRIEBONDEN

Aan het begin van de zestiger jaren was Utrecht een centrum van de metaalnijverheid. Bij Zuilen lagen de grote fabrieken van DEMKA en N.V. Werkspoor. Andere bedrijven waren Stork Jaffa, Smulders, B.V. Bronswerk Apparatenfabriek, Machinefabriek Pannevis en Zonen, Staalmat en Coq, en blikfabriek Thomassen en Drijver-Verblifa. De sector werd wereldwijd geteisterd door overproductie en internationale concurrentie, en zou tussen 1960 en 1985 bijna helemaal uit Utrecht verdwijnen. Triest was de neergang van het gerenommeerde bedrijf DEMKA Staalbedrijven. In 1966 moest DEMKA 1150 werknemers, en Werkspoor 197 werknemers, ontslaan. DEMKA en Staalmat maakten toen al deel uit van het Hoogovens concern. De DEMKA ijzergieterij fuseerde twee jaren later met een Frans bedrijf tot SMDK. De ontwikkelingen leidden tot een omslag in het denken van de vakbonden, die tot dan toe zich bij voorbaat bij bedrijfssluitingen hadden neergelegd. Voortaan waren massale protesten van de werknemers eerder regel dan uitzondering. Toch moest in 1971 Rolma Werkspoor sluiten, nadat de NS besloot het rijdend materieel in het buitenland te bestellen. De economische recessie in de jaren zeventig was fataal voor de toch al verzwakte bedrijven. De Europese Gemeenschap legde quota-regelingen op aan alle lidstaten. In Utrecht moest er regelmatig gestaakt worden tegen de inkrimpingen, en voor steun door de Rijksoverheid. In 1977 werd de Stork Werkspoor Gieterij gesloten, en in hetzelfde jaar ook de SMDK gieterij van Hoogovens. In 1980 werd Staalmat vrijwel zonder verzet gesloten. Het verzet in 1982 tegen de sluiting van de laatste DEMKA-fabriek, de staaldraadproductie met 260 werknemers, waaronder ook veel Turkse werknemers, verdient bewondering. Allerlei creatieve acties werden gevoerd, en de gemeente stelde zich bij monde van VVD-wethoudster Ten Cate achter de eisen van het DEMKA-personeel. Het mocht niet baten, en in 1984 moest de walserij toch zijn poorten sluiten. De werkloosheid in de provincie Utrecht was in 1983 opgelopen tot bijna 50.000 werklozen, d.w.z 15.5% van de beroepsbevolking.