Gezamenlijke inzet CAO Nederlandse Universiteiten / Inzet VSNU
Voorbehoud:Werknemersorganisaties (wno) behouden zich het recht voor om tijdens de onderhandelingen voorstellen in te trekken, te wijzigen en / of aan te vullen, dan wel nieuwe voorstellen te doen.
Een eventueel akkoord dat tijdens de onderhandelingen wordt bereikt over onderdelen van voorstellen kan pas als zodanig worden beschouwd als een akkoord wordt bereikt over het geheel.
Looptijd:
Wno stellen een looptijd voor van 1 januari 2011 tot 1 januari 2012; een langere looptijd is bespreekbaar indien goede afspraken over marktconforme loonontwikkeling n minimaal koopkrachtbehoud kunnen worden gemaakt
Loonontwikkeling:
In de vorige cao van 1 maart 2010 tot 1 januari 2011 is alleen een incidentele uitkering van 500,- uitbetaald aan alle werknemers die per 1-11 van dat jaar in dienst waren. Daarmee dateert de laatste structurele loonmutatie uit januari 2009 ( de volledige uitbetaling van de 13e maand in dat jaar niet meegerekend). De eenmalige uitkering dekte de inflatie over 2010 niet. Ook in 2011 loopt de inflatie weer op. Wno willen koopkrachtbehoud voor de werknemers van de universiteiten. Dat betekent voor 2011 dan ook een verhoging van de lonen met 2 %.
Werkgelegenheid:
De werkgelegenheid in de universitaire sector staat onder druk a.g.v. de bezuinigingen die opgelegd zijn en worden door het Rijk. Behoud van werk en inkomenszekerheid staat daarom voor wno voorop. In dit kader kiezen wij nadrukkelijk voor een beleid gericht op duurzame arbeidsparticipatie, voor kwaliteit van de arbeidsverhoudingen en voor (maatwerk in) goede arbeidsvoorwaarden.
De cao dient daarom een ge逯ntegreerd pakket aan maatregelen te omvatten waarin ontwikkeling, loopbaanbeleid en scholing centraal staan. Hierbij kan gedacht worden aan het uitbreiden van de scholingsbudgetten en afspraken met betrekking tot rapportage van inspanningen van de werkgever op dit gebied, overeenkomen van (eventueel externe) loopbaanondersteuning, het vast agenderen van het onderwerp bij voortgang- en functioneringsgesprekken, het aanbieden van preventieve carrireswitches , interne coaches en dergelijke.
Vooral door de korting op de FES-gelden als financieringsbron voor innovatie en wetenschap kan de werkgelegenheid voor jonge onderzoekers op korte termijn fors afnemen. Dat klemt omdat in verband met leeftijdsopbouw van de werknemers ook de vervangingsvraag urgent gaat worden. De wno willen daarom afspraken maken over werk- en inkomenszekerheid en employability voor deze groep. Wij willen daarom o.a. dakpanconstructies mogelijk maken voor doorstoom in het functiegebouw. Daarbij moet uitdrukkelijk rekening worden gehouden met het carrireperspectief van vrouwen en allochtonen tot de hoogste niveaus (vgl. rapport Marieke van den Brink).
Speciale aandacht verdient hier de verhouding tussen vast en tijdelijk werk. De wno willen voorkomen dat als gevolg van de bezuinigingen de verhoudingen tussen de vaste kern en de flexibele schil aan tijdelijke contracten verder uit het lood kan worden getrokken door het laatste percentage steeds verder te vergroten.
>>
Reorganisaties:
Door de bezuinigingen zullen reorganisaties zich weer vaker voordoen. De ervaring leert dat regelmatig discussies worden gevoerd tussen werkgever en medezeggenschap wanneer er precies sprake is van reorganisaties en wanneer er sprake is van ingrijpende gevolgen. De wno willen daarom de formuleringen aanscherpen en eenduidig maken, waarbij de rol en invloed van de medezeggenschap verstevigd wordt.
Onze verwachting is dat door 訑Veerman vaak ґexcellentie in onderzoek de invalshoek zal zijn. Hierdoor ontstaat niet alleen tussen universiteiten concurrentie, maar ook daarbinnen. Wij willen voorkomen dat de waan van de dag hier een belangrijke rol speelt. Excellentie in onderzoek kan raken aan de bevoegdheden van de decaan m.b.t. inrichting van de organisatie. Deze bevoegdheden kunnen op gespannen voet staan met de bepalingen in hoofdstuk 9 van de cao. Hierom worden afspraken gemaakt om te voorkomen dat misbruik wordt gemaakt van de bevoegdheden uit de WHW ten opzichte van de bepalingen uit de cao.
Bovendien willen we voorkomen dat de docenten hier het slachtoffer worden van excellentie in onderzoek. Dat terwijl het overgrote deel van de door hen opgeleide studenten niet doorstroomt naar die excellente wetenschap, maar een weg vindt naar banen buiten de wetenschap.
Werkdruk:
Reorganisaties veroorzaken vaak werkdruk. Die is echter in veel functies binnen de universiteiten al hoog. De wno willen dan ook dat als vervolg op het convenant Arbo- en verzuimbeleid psychische belasting (werkdruk) Hoger Onderwijs en Onderzoek (2000) specifiek voor het WO een onderzoek wordt ingesteld naar psychische belasting en werkdruk. De wno beogen hiermee mogelijke instrumenten ter preventie te kunnen gaan inzetten.
In deze cao moeten ҳk concrete afspraken ter bestrijding worden afgesproken. Dat kan o.a. door nu daadwerkelijk een invulling te geven aan levensfasebewust personeelsbeleid. We denken hier ondermeer aan vitaliteitsarrangementen, waarbij werknemers de beschikking krijgen over tijd en geld ten behoeve van hun duurzame inzetbaarheid. Verder denken we aan effectieve arrangementen voor het kunnen combineren van zorg en werk en het verlenen van mantelzorg.
Pensioengerechtigde leeftijd:
De wno zijn van mening dat doorwerken na 65 jaar mogelijk moet zijn indien werknemers dat willen. Doorwerken gebeurt dan onder ongewijzigde toepassing van de cao.
Doelgroepen:
De wno vinden dat werknemers in beginsel gelijk loon moeten krijgen voor gelijk werk. Dat geldt ook voor jongeren. Daarom moeten jeugdloonschalen worden afgeschaft. Jongeren moeten binnen het bestaande beloningssysteem op basis van ervaring worden beloond. Wno willen verder afspraken maken over het aantrekkelijk maken van stages door hogere stage- en onkostenvergoedingen en doorverbetering van de begeleiding. Wno willen ook dat de VSNU, c.q. de universiteiten zich inspannen om een stagevergoeding voor co-assistenten te realiseren.
Wno willen verder de afspraken uit het vorige akkoord met betrekking tot WAJONGERS en andere arbeidsgehandicapten omzetten in concrete resultaatafspraken.
juli 2011
Inzet VSNU.
In de hieronder afgedrukte brief van 8 november van de VSNU aan de werknemersorganisaties leest u de standpunten van de werkgever.
De werknemersorganisaties van de CAO-tafel
Nederlandse Universiteiten
Geachte leden van de CAO-tafel,
Hieronder treft u de inzet aan van de VSNU voor de nieuwe CAO.
1. Seniorendagen, wetswijziging en technisch overleg
Werkgevers willen de seniorenregeling 2006 (hoofdstuk 4, paragraaf 4) afschaffen voor medewerkers geboren na 31 december 1952. Deze regeling is een vorm van 'ontzie beleid' die stamt uit een tijd dat werknemers veel eerder met pensioen gingen.
De cao zal daamaast op een aantal punten moeten worden aangepast, vanwege veranderingen in wet- en regelgeving. Dit betreft zowel inhoudelijke als technische punten.
Wat betreft inhoudelijke punten komen wij met voorstellen voor de vakantieopbouw
tijdens ziekte en de werkkostenregeling. Wij stellen voor een paritaire werkgroep in te stellen voor technische wijzigingen.
2. Sociale zekerheid
De sociale regelingen van de sector zijn neergelegd in de BWNU (betrekking hebbend op werkloosheid) en de ZANU (betrekking hebbend op ziekte en arbeidsongeschiktheid).
De BWNU en de ZANU zullen op een aantal technische punten moeten worden aangepast vanwege veranderingen in wet- en regelgeving, waaronder de nieuwe verordening van de EU inzake de sociale zekerheid binnen de EU-ruimte (ingegaan in
2010). Dit vereist aanpassing van art 12 BWNU. In de eerder ingestelde paritaire werkgroep zijn bepaalde wijzigingen van BWNU en ZANU al aan de orde geweest. Wij stellen voor de werkgroep binnen enkele weken haar werkzaamheden te Iaten afronden met voorstellen aan de cao-tafel voor aanpassing van de desbetreffende regelingen.
2.1 BWNU
Daamaast stellen werkgevers voor om de BWNU te versoberen onder aanscherping van de wederzijdse re-integratie-inspanningen om ervoor te zorgen dat ontslagbedreigden en ex-werknemers die in een uitkeringssituatie verkeren, zo snel mogelijk ander werk vinden.
het afschaffen van de 3%, resp. 8% bovenwettelijke, sectorale opslag op de wwͭ
uitkering in het eerste jaar (art Slid 3), waardoor de uitkering wordt teruggebracht tot 75% van de ongemaximeerde berekeningsgrondslag in de eerste twee maanden van werkloosheid en tot 70% in de daaropvolgende 10 maanden;
het afschaffen van de aansluitende uitkering voor ex-medewerkers van 44 jaar en jonger (art 9lid 1). Deze categorie blijkt, zeker met adequate ondersteuning, kansrijk te zijn op de arbeidsmarkt, waardoor een langduriger uitkering dan de wettelijke betrokkenen eerder schade berokkent dan tot voordeel strekt;
het verminderen van de duur van de aansluitende uitkering voor ex-medewerkers
met een diensttijd van 7 of meer jaren tot 2 jaar voor hen die 45 jaar tot en met 49 jaar zijn bij ontslag.
Vanaf de leeftijd van 50 jaar bij ontslag en 7 of meer dienstjaren heeft men recht op een aansluitende uitkering van 3 jaar;
het afschaffen van de regeling waarbij men een uitkering geniet tot aan het pensioen van 52 jaar bij 12 ofmeer dienstjaren (art 9lid 3). Het genieten van een uitkering gedurende 13 jaar (wellicht in de toekomst 15 jaar) is in de huidige tijd niet meer te rechtvaardigen.
Werkgevers zijn bereid hun inspanningen te versterken om bij reorganisaties en opheffing van betrekking betrokkenen van werk naar werk te Qaten) begeleiden en employability te bevorderen.
Met vriendelijke groet,
Drs. H.D. Levie
Hoofd Werkgeversoverleg
